De Windotter van 1732 tot 1812

De Windotter van 1732 tot 1812

 

De geschiedschrijving vermeldt dat van 1732 tot 1812 de molen achtereenvolgens door acht molenaars is gepacht. De pachters kregen over het algemeen een contract van drie jaar aangeboden, dat vaak voor meerdere periodes van drie jaar werd verlengd.

Overigens was de pachter niet altijd molenaar maar besteedde hij het molenaarschap ook wel uit. Een ordonnantie van 1741 leert ons dat de 'impost' (maalloon) voor één mud IJsselsteinse maat tarwe toen tien stuivers bedroeg. Voorts werd onder andere de bepaling opgenomen dat 'wie het eerst komt, het eerst maalt'. Hieruit kunnen we afleiden dat het nog wel eens dringen was bij de molen. In dezelfde ordonnantie is aangegeven dat de molenaar bij windstilte gebruik mocht maken van de capaciteit van de in de stad aanwezige rosmolens waarbij het maalloon wel moest worden verrekend met de eigenaar van de rosmolen. In een rosmolen zorgde een rondlopend paard voor het laten draaien van molenstenen, die werden gebruikt voor het breken en grof malen van boekweit en haver tot grutten en het pellen van gerst tot gort.

Over de pachtsom weten we dat deze in 1745 120 Caroli gulden per maand bedroeg. In 1800 werd een bedrag van 800 gulden per jaar genoemd. In het licht van de levensstandaard in die periode (de bouw van een burgerhuis bedroeg in 1756 ongeveer 1.250 gulden) kunnen we stellen dat in het molenbedrijf veel geld omging. Het belang van het molenbedrijf wordt in het handvestenboek uit de periode 1787-1793 onderschreven door de bepaling dat binnen honderd roeden van de molen geen bouwwerk opgericht mocht worden. Zulke bepalingen zijn nu nog van groot belang gezien de discussies over hoogbouw en boomhoogte binnen de windvangrichtingen (molenbiotoop) van De Windotter.